We wonen in een klein groen huis aan de dijk. Vanuit de zolderkamer kun je over het water
uitkijken. Je kunt er de wind horen. Als het heel hard waait, klotst het water tegen de dijk.
Ik zit vaak op zolder. Ik luister naar de wind, hoor de geluiden van het huis en kijk naar
buiten.
Mijn vader vertelt 's avonds graag verhalen over vroeger. Anne is nog te klein om naar
zijn verhalen te luisteren. Na het eten brengt mijn moeder haar naar bed. Ik ben haar
grote broer Jelle en mag opblijven tot mijn moeder terugkomt. Ik hoop altijd dat ze me
vergeet. Ik maak me zo klein mogelijk. Ik ben er niet!
Ik ken al een paar geweldige verhalen van mijn vader. Hij heeft bijvoorbeeld vroeger
over de dijk gevlogen. Hij was aan het rennen en ineens merkte hij dat zijn armen gestrekt
waren en dat zijn voeten de grond loslieten. Hij vloog over de dijk. Over het water. Over
de huizen. De mensen in het dorp bleven stilstaan en wezen naar hem.
Een andere keer vertelde mijn vader over boer Klaas. Hij had een oude hond die zo woest en
gevaarlijk was dat niemand meer naar de boerderij durfde te komen. De boer stond daarom
twee keer per week op het kerkplein met melk, kaas en een paar eieren. Op een middag,
toen de boer in het dorp was, kreeg mijn vader een idee. Hij brouwde een speciaal drankje.
Dat brouwsel deed hij in een plastic zakje. Geheimzinnig lachend liep hij naar de boerderij
van boer Klaas. Mijn vader zette een stap op het erf en daar kwam de grote hond al aan
rennen. Hij liet zijn scherpe gele tanden zien. Het kwijl slingerde uit zijn bek. Met een
goede worp gooide mijn vader het plastic zakje naar de hond. Vlak voor zijn poten spatte
het brouwsel op. De hond snuffelde aan de spetters en jankte hoog. Hij nieste een paar
keer flink, draaide zich om en rende met zijn staart tussen de benen terug naar zijn
hok. Niemand had daarna nog last van de gevaarlijke hond.
Vanavond heb ik geluk. Oom en tante uit de stad zijn op visite. Mijn moeder brengt Anne
naar boven. Mijn vader schenkt de glazen vol en begint enthousiast te vertellen.
'Op een zaterdag stond het circus in het dorp. De leeuwentemmer was ziek en…' Hij aarzelt.
Oom schudt met zijn hoofd: 'Doe maar niet Douwe, dat verhaal kennen we al!'
Het is even stil. Mijn vader krabt op zijn hoofd.
'Dan vertel ik jullie een verhaal dat niemand kent. Lang voordat Jelle geboren werd liep
ik het Skaggebos in. Urenlang zwierf ik door het bos, totdat ik bij een open plek op een
boomstronk ging zitten. Ik hoorde een schor wrhah, whrah en zag een grote zwarte
raaf in de lucht. De raaf vloog langzaam naar beneden en landde vlak voor mij in het mos.
Hij had zijn poten nog niet neergezet of er kwam een andere raaf aangevlogen en nog één
en nog één.'
Mijn moeder komt binnenlopen. Met een schuin oog kijkt ze naar mij. Ik wil nog niet naar bed. Ik wil horen hoe het verhaal met die geheimzinnige vogels afloopt.
'Jelle, je moet eigenlijk…'
Ze draait zich om naar mijn vader: 'Welk verhaal vertel je, Douwe?'
'De zeven zwarte raven.'
Mijn moeders gezicht verandert. Liever wordt het en ze glimlacht. Haar zwarte haren
glanzen in het lamplicht.
'Waren het in totaal zeven raven, Pap?' vraag ik en blijf stilletjes zitten. Mijn vader knikt.
'Opeens begon de oudste raaf, die al wat grijze veertjes in de hals had, te praten. Ik
geloofde mijn oren niet en stamelde: "Sorry, wat zegt u?"
"Dat we op de hoogte zijn van uw bijzondere prestaties..."
"Ja?" zei ik aarzelend.
De raaf zuchtte eens en schudde met zijn veren.
"Nou ja," vervolgde hij, "wij hadden bedacht dat het nu tijd werd om uw grootste
wens in vervulling te doen gaan."
"Oh?" zei ik verbaasd en wist niets meer te zeggen.'
Pap kijkt de tafel rond en pakt de hand van mijn moeder. Tante schuifelt onrustig heen
en weer op haar stoel. Oom poetst zijn brillenglazen schoon. Ik lig met mijn hoofd op
mijn ellebogen. Wat zou hij wensen? Ik zou het wel weten.
'De raaf vertelde me wat ik moest doen. Ik moest mijn ogen dichtdoen en aan mijn
wens denken. Niet aan twee of drie wensen, maar aan één wens.
Ik kneep mijn ogen dicht. Mijn wens kwam van heel diep.
Het werd akelig stil om me heen.
Ik deed mijn ogen open.
Zes raven vlogen op en schreeuwden angstaanjagend: wrhah, wrhah, wrhah.
Ik keek ze na.'
Mijn vader houdt een korte pauze.
'Op het groene mos lag een vrouw met prachtig zwart haar. Ze had een wit satijnen
jurkje aan met geborduurde roosjes rond haar hals. Ze was de mooiste en liefste
vrouw die ik ooit heb gezien.'
'Aha,' zegt mijn tante. Ze drukt een zakdoek tegen haar ogen.
'Sjonge,' mompelt mijn oom.
Ik kijk naar mijn vader en moeder. Ze kijken elkaar stralend aan.
Dit verhaal staat in Heksen, trollen en glazen bollen (Uitgeverij Gottmer, 2005). Het boek is niet meer te koop; wel nog te leen in de bibliotheek.